Terug naar Oegstgeest
Merkwaardig wat me overkwam in de trein naar Leiden, gisterochtend.
Ik zat tegenover een mantelpak-vrouwtje van een jaar of vijftig. Telkens wanneer iemands mobieltje begon te jengelen keek ze in mijn richting en mompelde: “is dat de mijne?”. Retorische vraag, dacht ik. En dat klopte gelukkig, want ze wachtte mijn antwoord niet af, maar begon in haar handtasje te graaien, op zoek naar de veroorzaker van al dat polyfonische lawaai.
De eerste twee keer liep de zoekactie teleurstellend af. Het was niet haar mobieltje, maar dat van de grijze zakenman schuintegenover. Bij de derde poging was het wel raak. Met een triomfantelijk gebaar toonde ze me het luid schreeuwende en in felle kermiskleuren oplichtende belapparaat. “Dat is de mijne”, zei ze er voor de duidelijkheid nog bij.
Terwijl ze zich vol overgave stortte in het tweegesprek met de telefoonstem, dwaalden mijn ogen af in de richting van de parallel met het spoor lopende snelweg. Een lange file, altijd goed om te zien als je in de trein zit. Een grote felrode vrachtwagen trok mijn aandacht. “Kuipers Beton - Oegstgeest”, stond er op de zijkant.
“He, Oegstgeest”, dacht ik. Heel lang geleden heb ik toch dat boek gelezen van Jan Wolkers, hoe heet dat ook al weer? Peinzend draai ik m’n hoofd weer in de richting van het mantelpak-vrouwtje. En precies op dat moment zegt ze, ergens midden in een zin, “...terug naar Oegstgeest..”.
“Ja!”, “Dat is het -terug naar Oegstgeest- van Jan Wolkers, inderdaad...”, bedenk ik, maar blijkbaar net iets te hardop. Het mantelpak-vrouwtje en de grijze zakenman kijken me namelijk gedurende enkele seconden met een enigszins verbaasde blik aan. Dan wordt de ietwat ongemakkelijke stilte verbroken door de blikken telefoonstem.
“hallo? hallo? ben je daar nog?”
Ik stamel, “Euh...mevrouw, uw telefoon...”
Haar verbaasde blik verdwijnt op slag, en glimlachend zegt ze “Och ja, dat is de mijne”.


